Stel ik me aan?

Die vraag komt af en toe naar boven drijven, ‘Stel ik me niet gewoon vreselijk aan?’ Soms overvalt dat gevoel me ineens. Ik voel me dan schuldig als ik me een paar minuten, of wellicht een uur, of, heel zelden, een dag ‘goed’ voel. Die korte tijd dat ik dan denk dat ik de wereld aankan, dat niemand me wat kan maken en ik tomeloze energie heb. Heel stom, maar in die val trap ik geregeld. Want dan ga ik dingen doen, zoals fietsen, lopen, sporten, bezig met grotere projecten, op bezoek bij mensen.

Maar na niet al te lange tijd voel ik de klap alweer aankomen. Onafwendbaar komt die donkere wolk dichterbij, die ijzeren hamer. Langzaam vloeit de energie uit mijn lichaam. Alles lijkt in rubber te veranderen en mijn hoofd wil geen kant meer op. Weer over de grens gegaan. Welke grens? Geen idee. Het is ongrijpbaar en haast onverklaarbaar. Ik kan het niet aanwijzen, de ene keer is dit te veel, de andere keer dat. En daar zit (of lig) ik dan weer, leeg, opgebrand, moe en met mijn ogen dicht.

Op zo’n moment denk ik dan weer, ‘Nee, zie je wel, ik stel me niet aan. Ik ben ziek.’ Alle geluiden en indrukken thuis zijn dan te veel. De kinderen moeten dan hun mond houden of ik word door Martina naar m’n ‘hok’ (lees: mijn studeerplek) gestuurd waar ik alleen ben. Soms lukt het om oordoppen in te doen en keiharde muziek aan te zetten. Alleen ik en de muziek, verder geen geluiden, geen impulsen. Apart dat ik dát dan wel weer kan verdragen. Verder nergens behoefte en zin in.

Stel je voor dat ik me aanstel. Dat is toch niet voor te stellen? Nee, ik ben ziek. Het heeft lang geduurd maar ik ben er nu toch echt stellig van overtuigd dat er iets mis is met mij, of met mijn hoofd. Ik moet, volgens anderen, leren accepteren, dat ik ziek ben. Het is een dagelijks gevecht, een uitputtingsslag. Ik kan niet wat ik wel kon en wil het misschien ook wel nooit meer kunnen.